> beschikkingen

 

BNN – BNN-schoolagenda / 4 april 2001

Omroep Limburg – L1 Boulevard / 18 oktober 2001

NCRV – exploitatie Willem Wever-concept / 19 oktober 2001

overzicht beschikkingen 2002

 


> BNN – BNN-schoolagenda

(Beschikking d.d. 4 april 2001, kenmerk FTZ/001523/sv.)

Het Commissariaat voor de Media,

gezien zijn besluit van 28 november 2000 waarbij het Commissariaat oordeelde dat het uitgeven van een BNN-schoolagenda onvoldoende relatie zou hebben met de hoofdtaak van BNN en derhalve in strijd zou zijn met artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet;

gezien het daartegen door BNN ingediende bezwaarschrift van 8 januari 2001;

gelet op het bepaalde in de Mediawet;

gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende:

De gevolgde procedure

Middels een Registratieformulier Nevenactiviteiten van 16 oktober 2000 heeft BNN de volgende voorgenomen activiteit aan het Commissariaat gemeld: ‘Het uitbrengen van een BNN-schoolagenda ten behoeve van het vergroten van de populariteit en naamsbekendheid van BNN bij een belangrijk deel van de doelgroep. De agenda zal worden gedrukt en gedistribueerd door Holco Publications B.V. en zal tussen 1 mei 2001 en 31 september 2001 worden verkocht.’ (…) Met brief van 28 november 2001 heeft het Commissariaat BNN op de hoogte gesteld van zijn oordeel dat het uitgeven van een BNN-schoolagenda onvoldoende relatie zou hebben met de hoofdtaak van BNN en derhalve in strijd zou zijn met artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet. Per telefax van 8 januari 2001 heeft BNN tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. (…)

Ontvankelijkheid

Omdat het bestreden besluit op 28 november 2000 is verzonden en BNN per telefax van 8 januari 2001 daartegen een gemotiveerd bezwaarschrift heeft ingediend, is BNN tijdig in bezwaar gekomen zodat zij in haar bezwaar kan worden ontvangen.

Beoordeling van de bezwaren

Bezwaar BNN

BNN is van mening dat de toets aan artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet voornamelijk een inhoudelijke toets dient te zijn. Daarbij zou de wijze van verspreiding van de agenda niet of niet in belangrijke mate betrokken moeten worden. Volgens BNN heeft het Commissariaat in zijn besluit juist aan de verspreidingswijze groot gewicht toegekend. Het Commissariaat oordeelde in het kader van de relatietoets namelijk dat het uitgeven van de agenda slechts toelaatbaar is indien de verspreiding van de agenda alleen via BNN zelf zou plaatsvinden.

BNN verwijst hierbij naar de toetsing van omroepbladen door het Commissariaat. Deze bladen zijn in elke kiosk verkrijgbaar en niet alleen bij de betreffende omroep. De toetsing die het Commissariaat daarbij verricht heeft betrekking op de hoeveelheid omroepgerelateerde informatie in het blad.

BNN onderstreept het belang dat zij hecht aan het uitgeven van een agenda nu BNN niet wekelijks een omroepblad uitgeeft, terwijl de andere omroepverenigingen dat wel doen. De agenda zou een goed communicatie-instrument zijn voor het contact met de achterban en doelgroep van BNN.

BNN stelt ten slotte dat per 1 september 1997 de mogelijkheden voor publieke omroepen zijn verruimd om merchandisingactiviteiten te verrichten op het gebied van informatieoverdracht (TK 1995-1996, 24808, nr. 3, p. 9-10). Deze verruiming zou naar de mening van BNN zijn positieve weerslag kunnen vinden op de toetsing van het uitgeven van een agenda.

Standpunt Commissariaat

Als eerste merkt het Commissariaat op dat in de door BNN aangehaalde Memorie van toelichting inderdaad melding wordt gemaakt van een zekere verruiming van het nevenactiviteitenregime in die zin, dat de introductie van het nieuwe nevenactiviteitenregime de bedoeling had om bijvoorbeeld ook het uitgeven van minder traditionele omroepbladen, cd-i’s en cd-roms mogelijk te maken.

Het daarbij geïntroduceerde artikel 57a van de Mediawet brengt echter met zich mee dat álle nevenactiviteiten, zowel de meer als de minder traditionele, dienen te voldoen aan de drie criteria van artikel 57a. Zoals uit dit besluit blijkt, is het uitgeven van een BNN-schoolagenda naar ons oordeel niet zonder meer verboden, maar wordt die activiteit, net als elke andere nevenactiviteit, getoetst aan de criteria van artikel 57a. Wat de relatietoets betreft wordt daarbij in eerste instantie gekeken naar de inhoud van de betreffende uitgave.

Wat betreft de toetsing van omroepbladen door het Commissariaat merken wij het volgende op. Onder meer in het kader van toetsing van omroepbladen aan artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet (relatietoets) hanteert het Commissariaat de eis dat minimaal 50% van de inhoud moet bestaan uit omroepgerelateerde informatie. Deze wijze van toetsing heeft het Commissariaat ook toegepast ten behoeve van zijn besluit van 28 november 2000. Daarbij kon het Commissariaat echter niet daadwerkelijk over een exemplaar van de agenda beschikken, omdat het immers een melding van een voorgenomen uitgave betrof. Bij zijn oordeel heeft het Commissariaat zich daarom mede laten leiden door het gegeven dat een agenda toch meestal grotendeels bestaat uit lege, door de gebruiker ervan te beschrijven pagina’s (hierna te noemen ‘calendarium’). Omdat elke pagina wordt betrokken bij het bepalen van het percentage omroepgerelateerde informatie, meende het Commissariaat in redelijkheid tot het oordeel te kunnen komen dat de agenda niet aan de 50%-eis zou voldoen.

Het Commissariaat hanteert een afwijkend kader ten aanzien van producten die een omroep specifiek gebruikt voor zelfpromotie, zoals producten waarop naam en logo van de betreffende omroep zijn aangebracht en die door de omroep als ‘relatiegeschenk’ worden aangeboden. Het Commissariaat is van mening dat een omroep in zijn contacten met derden over dergelijke producten moet kunnen beschikken. Om echter een al te commerciële uitstraling ervan te voorkomen, en ook omdat bij een aantal van die producten de vereiste relatie met de hoofdtaak van de omroep niet gemakkelijk te leggen is, stelt het Commissariaat de eis dat die producten alleen via de betreffende omroep mogen worden verkocht. Het Commissariaat verwijst hier verder naar zijn besluit van 6 juli 2000 waarin wij ons oordeel gaven over de verkoop van een aantal promotieartikelen door BNN.

Omdat het Commissariaat derhalve van oordeel was dat de agenda niet aan de 50%-eis zou voldoen, heeft het Commissariaat de agenda in tweede instantie getoetst als ‘promotiemiddel’. Daaruit vloeide de verspreidingsbeperking voort zoals opgenomen in het besluit van 28 november 2000.

Uit het bovenstaande volgt dat indien een alsnog uit te geven BNN-agenda wél minimaal 50% omroepgerelateerde informatie zal blijken te bevatten, deze daarmee de gebruikelijke ‘relatietoets’ zal doorstaan en er door het Commissariaat geen beperking zal worden verlangd ten aanzien van de verspreiding.

BNN heeft in haar bezwaarschrift vermeld dat zij nu niet eerder dan voor het schoolseizoen 2002-2003 voornemens is een agenda uit te brengen, althans indien het Commissariaat het uitgeven van een agenda niet ook in zijn beslissing op bezwaar in strijd met de Mediawet zou achten.

Ook ten tijde van deze beslissing op bezwaar is nog geen exemplaar van de agenda beschikbaar. Een toetsing op basis van de werkelijke inhoud ervan is daarom ook nu nog niet mogelijk. Wél zal het Commissariaat hieronder een uitwerking geven van de wijze waarop de 50%-toets op de agenda zal worden toegepast zodra deze voor toetsing beschikbaar is.

- Vanzelfsprekend zullen in ieder geval pagina’s die volledig bestaan uit informatie over het omroepprogramma van BNN, medewerkers van BNN en de vereniging BNN meetellen als omroepgerelateerde informatie.

- Pagina’s van de agenda die deel uitmaken van het calendarium zullen meetellen als omroep-gerelateerde informatie indien alle mogelijkheden voor plaatsing van dergelijke informatie zijn benut. Zo zal het in ieder geval mogelijk zijn op calendariumpagina’s verwijzingen naar uitzendtijden van BNN-programma’s en logo’s van BNN te plaatsen.

- Eventueel op te nemen reclamepagina’s zullen niet meetellen als omroepgerelateerde informatie.

Het Commissariaat berekent het percentage omroepgerelateerde informatie over het totaal aantal pagina’s, inclusief omslag. Tijdens de hoorzitting heeft BNN aangegeven dat twee pagina’s van het calendarium één week zullen beslaan. BNN dient er bij het uitgeven van een agenda derhalve voor te zorgen dat het aantal redactionele omroepgerelateerde pagina’s, aangevuld met omroepgerelateerde calendariumpagina’s tezamen minimaal 50% uitmaken van het totaal aantal pagina’s van de agenda.

Het Commissariaat zal de agenda na verschijning toetsen aan de artikelen 57a en 55 van de Mediawet.

Op grond van bovenstaande overwegingen en na afweging van alle betrokken belangen heeft het Commissariaat het volgende besloten:

Besluit

Het Commissariaat verklaart het bezwaarschrift van BNN tegen zijn besluit van 28 november 2000 gegrond voor zover BNN bij het daadwerkelijk uitgeven van een BNN-agenda in staat zal blijken om de agenda te laten bestaan uit minimaal 50% omroepgerelateerde informatie.

Het Commissariaat zal in dat geval oordelen dat het door BNN (doen) uitgeven van een schoolagenda die (ook) zal worden verspreid via andere kanalen dan slechts via BNN zelf, niet in strijd is met artikel 57a lid 1 aanhef en onder b van de Mediawet.

 


> Omroep Limburg L1 Boulevard

(Beschikking d.d. 18 oktober 2001, kenmerk FTZ/04907/sv.)

Het Commissariaat voor de Media,

gezien zijn besluit van 19 juni 2001 waarbij het Commissariaat oordeelde dat de nevenactiviteit bestaande uit het door Omroep Limburg mede-exploiteren van een online-winkelboulevard (www.L1boulevard.nl) in strijd is met artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet;

gezien het daartegen door Omroep Limburg ingediende bezwaarschrift van 26 juli 2001;

gelet op het bepaalde in de Mediawet;

gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende:

De gevolgde procedure

Met brief van 21 mei 2001 heeft Omroep Limburg het Commissariaat voor de Media laten weten dat de reclamemaatschappij van Omroep Limburg, ‘Reclamemaatschappij L1 v.o.f.’, voornemens was een samenwerkingsverband aan te gaan met drie andere partijen om op interregionaal niveau e-commerce-diensten voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) te ontwikkelen en te exploiteren.

Doel daarbij is het creëren van een online-omgeving waarin het MKB van Nederlands en Belgisch Limburg op eenvoudige wijze via meerdere elektronische media producten en diensten kan aanbieden aan de eindgebruiker. Hierbij kan het gaan om dienstverlening op het gebied van zowel ‘business to business’ als ‘business to consumer’. In meer praktische zin gaat het daarbij in hoofdzaak om een online-winkelboulevard (www.L1boulevard.nl) met virtuele MKB-winkels en -kantoren. Deze site is per 1 mei 2001als pilot operationeel. Het kan daarbij ook gaan om reeds bestaande websites of webpages, die aldus ook via de online-boulevard benaderbaar worden. Daaraan kunnen modules worden gekoppeld, waaronder e-mail- en sms-faciliteiten, om deelnemende bedrijven in staat te stellen met (potentiële) klanten te communiceren. De site zal ook te bereiken zijn via www.L1.nl, zodra die omroepsite gereed is. Verder is vanuit de Nederlandse boulevard de Belgische online-winkelboulevard bereikbaar, en omgekeerd.

Deelname aan de ‘L1 Boulevard’ is alleen mogelijk voor bedrijven die reeds adverteren of besluiten te gaan adverteren via de bestaande media van L1 RTV en verder een voor de consument fysiek bereikbare vestiging in Nederlands Limburg hebben. Het project moet de band met de relaties van L1 versterken en uitbouwen. Binnen het samenwerkingsverband verricht L1 RTV de volgende activiteiten:

- de marketing en sales voor e-commercediensten in Nederlands Limburg;

- het beschikbaar stellen van het TV-kanaal voor reclame- en promotiedoeleinden;

- de koppeling van shops achter de website van L1.

Met brief van 22 juni 2001 heeft het Commissariaat Omroep Limburg op de hoogte gesteld van zijn oordeel dat de nevenactiviteit in strijd is met artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet en derhalve niet is toegestaan. Met brief van 26 juli 2001 heeft Omroep Limburg tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. (…)

Ontvankelijkheid

Omdat het bestreden besluit op 22 juni 2001 is verzonden en Omroep Limburg per brief van 26 juli 2001 daartegen een gemotiveerd bezwaarschrift heeft ingediend, is Omroep Limburg tijdig in bezwaar gekomen zodat zij in haar bezwaar kan worden ontvangen.

Beoordeling van de bezwaren

- Bezwaar Omroep Limburg

Omroep Limburg stelt dat het Commissariaat de ‘L1 Boulevard’ niet had moeten toetsen als ‘omroepsite’. Toetsing aan de wettelijke criteria voor ‘omroepsites’ is in dit geval niet opportuun, omdat het hier gaat om een service van de reclamemaatschappij van Omroep Limburg aan de adverteerders van de omroep. Nu ook internet zo langzamerhand tot het reguliere marktbewerkinginstrumentarium van ondernemers behoort, wenst Omroep Limburg haar adverteerders niet slechts de mogelijkheid te bieden om via het radio- en televisieprogramma van de omroep te adverteren, maar ook – via Omroep Limburg – op internet.

Nu Omroep Limburg vanwege een Europese subsidie voor het technische platvorm van de ‘L1 Boulevard’ in staat is om dit type adverteren (mede) te faciliteren, creëert zij daarmee voor veel adverteerders de mogelijkheid internet in hun marketingstrategie in te passen. Financieel zou het voor veel van haar adverteerders namelijk niet haalbaar zijn om zélf zo’n platvorm, met alle optionele modules die bij de ‘L1 Boulevard’ mogelijk zijn, te realiseren.

De site wordt niet gefinancierd uit omroepmiddelen, en heeft daarom geen nadelige invloed op de hoofdtaak van de omroep. Er is immers sprake van een subsidie, en de adverteerders betalen een vergoeding voor het gebruik van de ‘Boulevard’.

Verder is de site volgens Omroep Limburg evenmin concurrentievervalsend of in strijd met artikel 55 van de Mediawet. Nergens wordt een koppeling gelegd tussen activiteiten van Omroep Limburg en activiteiten van de adverteerders. Omroep Limburg heeft ook geen enkele rol in het contact tussen de adverteerders/ondernemers en hun klanten.

Het staat adverteerders vrij zelf publiciteit voor de ‘Boulevard’ te verzorgen. Omroep Limburg maakt voor de Boulevard alleen reclame binnen haar reclameblokken, dus duidelijk afgescheiden van de rest van haar programma. Deze verwijzingen zijn even helder afgescheiden als de buttons en banners die het Commissariaat wél toelaatbaar acht op internetsites van omroepen. Zodra de redactionele site van Omroep Limburg klaar is (www.L1.nl), wellicht al vóór het einde van 2001, zullen er wel over en weer hyperlinks worden geplaatst. Zeker als die ‘eigen’ omroepsite gereed is, zal het grote verschil tussen die ‘eigen’ site en de ‘L1 Boulevard’ duidelijk worden. Slechts in verband met eisen van de subsidieverlener was Omroep Limburg genoodzaakt eerder met de ‘Boulevard’ te beginnen dan met de ‘eigen’ site.

- Standpunt Commissariaat

Het Commissariaat heeft zich bij de beoordeling van de ‘L1 Boulevard’ gerealiseerd dat het daarbij niet de enige internetactiviteit van Omroep Limburg betrof. Op de site www.L1.nl is immers te lezen dat díe site nog in voorbereiding is. Gelet op de betrokkenheid van Omroep Limburg bij de ‘L1 Boulevard’, zoals deze onder meer blijkt uit de door de omroep aan het Commissariaat verstrekte gegevens, rekent het Commissariaat echter ook de site www.L1boulevard.nl toe aan Omroep Limburg. Om die reden dient de ‘L1 Boulevard’, net als iedere andere neventaak- of activiteit van uw omroep, te worden getoetst aan de artikelen 57a en 55 van de Mediawet.

In zijn primaire besluit kwam het Commissariaat in het kader van toetsing aan artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet tot het oordeel de ‘L1 Boulevard’ geen relatie heeft met het omroepprogramma van Omroep Limburg, en derhalve niet is toegestaan. Daarbij liet het Commissariaat zich mede leiden door de wettelijke eis dat bij alle verrichtingen van een publieke omroep de non-commercialiteit gewaarborgd dient te zijn.

Tijdens de hoorzitting is de wijze van financiering van Omroep Limburg, en daarmee ook die van regionale omroepen in het algemeen, uitgebreid aan de orde gekomen. Met name kwam daarbij als belangrijk onderscheid met de landelijke omroepen naar voren, dat op regionaal niveau het uitzenden van reclameboodschappen én het uitzenden van andersoortige programma-onderdelen door één organisatie wordt verzorgd, te weten de betreffende regionale omroep. Op landelijk niveau zenden de publieke omroepinstellingen hun eigen programma-onderdelen uit, en worden reclameboodschappen in blokken door een aparte omroepinstelling uitgezonden, te weten door de STER.

Nu is gebleken dat Omroep Limburg, via haar reclamemaatschappij, geen verdere betrokkenheid heeft bij de ‘L1 Boulevard’ dan het mede tot stand brengen van een elektronisch platvorm voor haar adverteerders en dat de ‘L1 Boulevard’ een afzonderlijke site vormt die slechts via een duidelijke hyperlink verbonden zal worden met de nog te lanceren redactionele site van de omroep, ziet het Commissariaat reden zijn oordeel naar aanleiding van de voltrokken ‘relatietoets’ te nuanceren.

Op grond van de Mediawet is het een publieke regionale omroep toegestaan reclameboodschappen in haar omroepprogramma uit te zenden. Één van de voorwaarden daarbij is dat de reclameboodschappen duidelijk afgescheiden zijn van de overige programma-onderdelen. Naar analogie daarvan kunnen de activiteiten van Omroep Limburg op internet worden onderscheiden in enerzijds onmiskenbaar omroepgerelateerde, redactionele inhoud en anderzijds ‘reclame-uitingen’ en ‘reclameboodschappen’ in de vorm van losse buttons en/of banners.

Op basis van deze analogie, is ook het mede-exploiteren van een meer gestructureerde internet-adverteerdersdienst niet in strijd met de Mediawet, echter voor zover die activiteit blijft binnen het kader dat wordt gevormd door de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het reclameregime dat geldt voor het omroepprogramma én die activiteit voldoet aan de criteria voor nevenactiviteiten.

Het voortzetten van een internet-adverteerdersdienst is naar ons oordeel toelaatbaar onder de volgende voorwaarden.

1. Binnen drie maanden na de datum van dit besluit dient de eigen, redactionele site van Omroep Limburg operationeel te zijn. Binnen zes maanden na de datum van dit besluit dient te zijn gerealiseerd dat, naar analogie van de voorschriften voor radio en televisie wat betreft de omvangverhouding, de adverteerdersdienst slechts een zeer gering deel uitmaakt van het totaal van de internetactiviteiten van Omroep Limburg.

2. Het is Omroep Limburg niet toegestaan op haar eigen sites producten en diensten van derden aan te bieden. De reclame-uitingen en -boodschappen mogen derhalve wél aanprijzingen bevatten, maar geen transactiemogelijkheden. Transactiemogelijkheden op sites van adverteerders zijn wel toegestaan. Naar sites van derden mag een hyperlink worden aangebracht op sites van Omroep Limburg.

3. De naam van de internet-adverteerdersdienst wordt aldus gewijzigd, dat deze niet direct geassocieerd wordt met (de hoofdtaak van) Omroep Limburg. Naar de mening van het Commissariaat is dat thans wél het geval bij de naam ‘L1 Boulevard’.

Op regionaal niveau komt de noodzakelijke en heldere scheiding tussen redactie en commercie niet automatisch tot stand zoals dat op landelijk niveau wel het geval is doordat op landelijk niveau de reclameactiviteiten door een afzonderlijke instelling worden verricht. Er is daarom reden te meer om op regionaal niveau iedere schijn van verstrengeling van redactie en commercie te verkomen. In de naam van de adverteerdersdienst dient derhalve de commerciële omgeving herkenbaar te zijn.

Op grond van bovenstaande overwegingen en na afweging van alle betrokken belangen heeft het Commissariaat het volgende besloten.

Besluit

I. Het Commissariaat verklaart de bezwaren van Omroep Limburg tegen zijn besluit van 19 juni 2001 ongegrond en handhaaft zijn besluit van 19 juni 2001 met betrekking tot de ‘L1 boulevard’ zoals deze thans operationeel is.

II. Het Commissariaat besluit op grond van bovenstaande motivering dat het mede-exploiteren van een internet-adverteerdersdienst niet in strijd zal zijn met artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet indien aan bovenstaande voorwaarden is voldaan.

 


> NCRV – exploitatie Willem Wever-concept

(Beschikking d.d. 19 oktober 2001, kenmerk FTZ/004906/sv.)

Het Commissariaat voor de Media,

gezien zijn besluit van 29 mei 2001 waarbij het Commissariaat oordeelde dat de (voorgenomen) nevenactiviteit, onder meer bestaande uit het door de NCRV verlenen van een aantal merklicenties aan VNU Tijdschriften, in strijd zou zijn met de artikelen 57a lid 1, aanhef en onder c, en 55 lid 1 van de Mediawet en derhalve niet zou zijn toegestaan.

gezien het daartegen door de NCRV ingediende bezwaarschrift van 5 juli 2001;

gelet op het bepaalde in de Mediawet;

gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht;

gelet op de Richtlijn Neven- en Verenigingsactiviteiten Publieke Omroep 1999 van het Commissariaat (hierna: de Richtlijn);

overwegende:

De gevolgde procedure

Op 10 april 2001 presenteerden twee vertegenwoordigers van uw omroep het voornemen van de NCRV om in samenwerking met VNU Tijdschriften (hierna: VNU) bij het televisieprogramma-onderdeel Willem Wever van de NCRV een aantal activiteiten te verrichten, waaronder het uitgeven van een ‘Willem Wever’-tijdschrift, een ‘Willem Wever’-krant en het organiseren van (overige) ‘Willem Wever’-clubactiviteiten.

Op 2 mei 2001 ontving het Commissariaat per e-mail een afschrift van de conceptovereenkomst tussen de NCRV en VNU met betrekking tot de voorgenomen activiteiten.

Met brief van 1 juni 2001 heeft het Commissariaat de NCRV op de hoogte gesteld van zijn oordeel dat de (voorgenomen) nevenactiviteit, onder meer bestaande uit het door de NCRV verlenen van een aantal merklicenties aan VNU Tijdschriften, in strijd zou zijn met de artikelen 57a lid 1, aanhef en onder c, en 55 lid 1 van de Mediawet en derhalve niet zou zijn toegestaan.

Met brief van 5 juli 2001 heeft de NCRV tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. (…)

Ontvankelijkheid

Omdat het bestreden besluit op 1 juni 2001 is verzonden en de NCRV per brief van 5 juli 2001 daartegen een gemotiveerd bezwaarschrift heeft ingediend, is de NCRV tijdig in bezwaar gekomen zodat zij in haar bezwaar kan worden ontvangen.

Beoordeling van de bezwaren

- Bezwaar NCRV

De NCRV heeft maakt bezwaar tegen de beschikking voor zover het Commissariaat ervan uitgaat dat het de NCRV er slechts om te doen is om haar intellectuele eigendomsrechten te exploiteren. De NCRV benadrukt dat zij met het project het doel heeft om door middel van het uitbreiden en verdiepen van het multimediale concept ‘Willem Wever’ (nu: tv en internet) haar positie in de omroepwereld te behouden. Daarbij voelt zij zich gesteund door het in februari 2001 verschenen McKinsey-rapport ‘Nieuwe Media Strategie’. Daarin worden geïntegreerde multimediale concepten en zogenoemde ‘communities’ aanbevolen ter versterking en verankering van de publieke omroep.

- Standpunt Commissariaat

Het Commissariaat is er bij zijn afwegingen ten behoeve van het besluit van 29 mei 2001 niet van uitgegaan dat het de NCRV louter te doen is om haar intellectuele eigendomsrechten te exploiteren. De NCRV heeft haar doelstelling met het project voorafgaand aan het besluit zowel mondeling als schriftelijk voldoende naar voren gebracht en het Commissariaat heeft ook de doelstelling van de NCRV bij zijn afwegingen betrokken.

Het Commissariaat vermeldt in zijn beschikking het verlenen van de merklicenties bij de toetsing centraal te stellen omdat deze activiteit in meer praktische zin immers de spil vormt van het beoogde uitbreiden en verdiepen van het concept ‘Willem Wever’.

De integrale afweging kon echter, gelet op de Mediawet zoals thans van kracht, naar het oordeel van het Commissariaat al met al niet tot een positief oordeel over de beoogde activiteit leiden. Dat in het McKinsey-rapport onder meer multimediale concepten worden aanbevolen, is voor het Commissariaat niet van doorslaggevend belang. In genoemd rapport wordt immers eveneens gewag gemaakt van de noodzaak de Mediawet te moeten wijzigen om alle aanbevelingen van het rapport in praktijk te kunnen brengen.

- Bezwaar NCRV

De NCRV acht het oordeel van het Commissariaat dat een tijdschrift of krant (hierna: ‘tijdschrift’) bij het programma-onderdeel ‘Willem Wever’, indien de inhoud daarvan in het verlengde ligt van de inhoud van het programma-onderdeel, op zichzelf voldoende verband houdt met de hoofdtaak van de NCRV onverenigbaar met het oordeel van het Commissariaat dat strijd met de artikelen 52 lid 1 en/of lid 2 van de Mediawet kan ontstaan indien ook het tijdschrift de naam ‘Willem Wever’ zal krijgen.

- Standpunt Commissariaat

In het kader van toetsing aan artikel 57a lid 1, aanhef en onder b, van de Mediawet toetst het Commissariaat of een activiteit verband houdt met of ten dienste staat van de hoofdtaak van een omroep. Waar het gaat om een tijdschrift bestaat een dergelijke toetsing uit een toets van de inhoud van het tijdschrift. Om die reden is het oordeel in dit geval dan ook voorwaardelijk gesteld. Er bestond immers op het moment van toetsing geen fysiek exemplaar van het tijdschrift, waardoor daadwerkelijke inhoudelijke toetsing achterwege moest blijven.

Een – al dan niet voorwaardelijk – positief oordeel naar aanleiding van de toetsing van de inhoud van het tijdschrift behelst echter niet tegelijkertijd een positief oordeel over de toelaatbaarheid van het feit dat het tijdschrift de naam zal dragen van het programma-onderdeel Willem Wever.

- Bezwaar NCRV

De NCRV maakt bezwaar tegen het oordeel van het Commissariaat dat de activiteit in strijd zou zijn met artikel 57a lid 1, aanhef en onder c, van de Mediawet (verbod van concurrentievervalsing) en artikel 55 van de Mediawet (dienstbaarheidverbod).

De verwijzing in de beschikking naar de in de Richtlijn opgenomen tekst met betrekking tot het gebruik door een omroepinstelling van haar imago zou onvoldoende zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat er met de activiteit sprake zal zijn van concurrentievervalsing.

Bovendien zou het Commissariaat het verlenen van de licentie reeds op zichzelf in strijd achten met het verbod van concurrentievervalsing, ondanks het feit dat op grond van de toenmalige Regeling Exploitatie Intellectuele Eigendomsrechten (REXIE) van het Commissariaat dergelijke activiteiten reeds in 1993 zouden zijn toegestaan.

Met betrekking tot het dienstbaarheidverbod stelt de NCRV niet het doel te hebben VNU meer dan normale winst te laten behalen, ook gezien het grote belang dat de NCRV zegt te hebben bij het doen uitgeven van het blad.

De NCRV zegt overigens toe artikel 5.5 (over de promotie voor het tijdschrift door de NCRV) uit de conceptovereenkomst te zullen schrappen om daarmee in ieder geval deels tegemoet te komen aan de door het Commissariaat geuite bezwaren tegen de wijze van het verrichten van de voorgenomen activiteit.

Met betrekking tot de beschikbaarstelling door de NCRV van ‘Willem Wever-materiaal’ aan VNU stelt de NCRV dat dit voor de NCRV zelf slechts een minimale investering vergt, terwijl volgens de NCRV VNU zich juist nog grote inspanningen zal moeten getroosten om op basis van dat materiaal tot een nummer van het tijdschrift te komen. Het Commissariaat zou deze verhouding niet juist hebben ingeschat. De NCRV stelt dat er sprake is van normaal economisch handelen door de NCRV.

- Standpunt Commissariaat

In het kader van de zogenoemde ‘tweede fase-toetsing’ toetst het Commissariaat aan beide bovengenoemde artikelen. Gelet op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval zijn de overwegingen van het Commissariaat bij de beide toetsingen deels met elkaar verweven.

In paragraaf 2.2.2 van de Richtlijn geeft het Commissariaat aan op welke wijze aan het ‘verbod van concurrentievervalsing’ wordt getoetst. Daarbij wordt onder meer opgemerkt: ‘Tevens kan van belang zijn op welke wijze een omroepinstelling bij de marketing van haar nevenactiviteiten gebruik maakt van haar imago (beeldmerk, namen van programma-onderdelen etc.)’.

De naamgeving van een tijdschrift vormt naar het oordeel van het Commissariaat een zeer belangrijk onderdeel van de marketing van het tijdschrift, en is daarmee een wezenlijk onderdeel van het (doen) uitgeven van een tijdschrift als geheel. In het onderhavige geval is het doen gebruiken van de naam van een programma-onderdeel als naam voor het tijdschrift te beschouwen als concurrentievervalsend, omdat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de uitgever van een tijdschrift dat niet de naam van een programma-onderdeel draagt zich bij de marketing van dat tijdschrift een aanmerkelijk grotere inspanning zal moeten getroosten om bijvoorbeeld tot een zelfde bekendheid van dat tijdschrift te komen.

Dit geldt des te meer nu in dit geval het tijdschrift de naam zal dragen van het populaire programma-onderdeel Willem Wever, dat reeds vele jaren door de NCRV wordt uitgezonden. Van groot belang is daarbij dat het programma-onderdeel, en daarmee de bekendheid van de naam ervan, tot stand zijn gekomen met publieke omroepmiddelen.

Het genoemde concurrentievoordeel vormt voor het Commissariaat tevens een overweging bij de vaststelling van strijd met artikel 55 van de Mediawet. Het Commissariaat meent, in het verlengde van zijn overweging bij het verbod van concurrentievervalsing, in redelijkheid te kunnen aannemen dat het opgebouwde imago VNU in staat zal stellen méér winst te behalen dan waartoe zij in staat zou zijn zonder gebruik te kunnen maken van het met publieke middelen bekend geworden ‘merk’ ‘Willem Wever’.

De NCRV heeft het Commissariaat laten weten paragraaf 5.5 van de conceptovereenkomst (met betrekking tot de promotie voor het tijdschrift door de NCRV) te zullen schrappen. Het bestaan van deze bepaling vormde echter slechts één van de overwegingen van het Commissariaat bij zijn toetsing van de activiteit aan artikel 55. Van belang in dat kader blijft paragraaf 5.6 van de conceptovereenkomst, waarin de levering door de NCRV van ‘Willem Wever-materiaal’ aan VNU is geregeld.

Hetgeen door het Commissariaat in relatie tot artikel 55 is overwogen ten aanzien van het doen gebruiken van de naam ‘Willem Wever’ is evenzeer van toepassing op het doen gebruiken van het ‘Willem Wever-materiaal’ zoals omschreven in de conceptovereenkomst. Nu het in de bedoeling ligt het tijdschrift, met gebruikmaking van het ‘Willem Wever-materiaal’, inhoudelijk te laten aansluiten bij het programma-onderdeel Willem Wever, meent het Commissariaat in redelijkheid te kunnen aannemen dat VNU in staat zal zijn méér winst te behalen dan waartoe zij in staat zou zijn zonder gebruik te kunnen maken van het bij de televisieserie aansluitende ‘Willem Wever-materiaal’.

Weliswaar kan het zo zijn dat de beschikbaarstelling door de NCRV van het ‘Willem Wever-materiaal’ aan VNU slechts een minimale investering vergt, maar de NCRV gaat er in haar stelling volledig aan voorbij dat zij in een éérder stadium, te weten bij de productie van het programma, wél substantiële investeringen – met publieke omroepmiddelen – heeft gedaan.

Met betrekking tot de stelling van de NCRV dat de activiteit op grond van de zogenoemde REXIE van het Commissariaat reeds sinds 1993 zou zijn toegestaan merkt het Commissariaat het volgende op.

De – overigens reeds in 1998 vervallen – REXIE was een regeling als bedoeld in artikel 62 lid 2 van de Mediawet (oud), met betrekking tot de verdere exploitatie door omroepinstellingen van hun ‘auteursrechten op hun programma’s (…)’. Zoals vermeld in de toelichting op de REXIE, was er met betrekking tot artikel 62 lid 2 (oud) sprake van ‘een interpretatieproblematiek’. Daarbij was de NOS van oordeel dat de wetgever bedoeld had om álle intellectuele eigendomsrechten onder de reikwijdte van artikel 62 lid 2 (oud) te brengen. De vraag of de artikelen 6 en 7 van de REXIE toestonden dat programmatitels in licentie mochten worden gegeven is nooit in een procedure nader uitgewerkt, maar op grond van de toenmalige wettekst, die eenduidig spreekt over ‘auteursrechten’, is het Commissariaat van oordeel dat deze vraag niet zonder meer positief kan worden beantwoord.

Het doen uitgeven van een tijdschrift is een nieuwe vorm van openbaarmaking en reikt verder dan alleen het te gelde maken van auteursrechten. Bovendien maakt sinds 1 september 1997 het verbod van concurrentievervalsing als nieuw criterium deel uit van het nevenactiviteitenregime.

- Bezwaar NCRV

Voor zover het Commissariaat tot het oordeel zou komen dat het geven van de naam ‘Willem Wever’ aan het tijdschrift en de overige clubactiviteiten naar het oordeel van het Commissariaat in en rond elke uitzending van het gelijknamige programma-onderdeel zou leiden tot een overtreding van artikel 52 lid 1 en/of lid 2 van de Mediawet, maakt de NCRV tegen een dergelijk oordeel bezwaar.

Voor zover er sprake zou zijn van een overtreding van artikel 52 lid 2 van de Mediawet is de NCRV van oordeel dat het Commissariaat niet tot een dergelijk oordeel kan komen, alleen al gelet op de, aldus de NCRV, reeds lang bestaande bevoegdheid om onder meer programmanamen te doen exploiteren door derden. Aan die bevoegdheid zou geen betekenis toekomen indien gebruikmaking daarvan steeds tot een overtreding van artikel 52 zou leiden.

Als er al sprake zou zijn van een reclame-uiting in de zin van artikel 1, aanhef en onder jj, van de Mediawet, zou deze naar het oordeel van de NCRV niet vermijdbaar zijn en voldoen aan de voorwaarden van artikel 28 van het Mediabesluit.

- Standpunt Commissariaat

Het geven van de naam ‘Willem Wever’ aan een tijdschrift en aan overige clubactiviteiten zal ertoe leiden dat in en/of rond iedere uitzending van het programma-onderdeel Willem Wever de naam van het tijdschrift en/of de overige clubactiviteiten zal worden vermeld.

Deze uitingen zijn voor het gemiddelde publiek duidelijk waarneembaar, op grond waarvan het in staat zal zijn het tijdschrift en de andere clubactiviteiten te identificeren. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden verondersteld dat, indien producten en diensten op min of meer opvallende wijze en niet in negatieve zin worden vermeld in een uitzending, doorgaans een deel van het publiek tot afname daarvan wordt bewogen. (Zie ook uitspraak Raad van State d.d. 21 augustus 1997, TROS Aktua in Bedrijf. [Zie O&C 1996-1997, p. 15-18, bew.]).

In de artikelen 27 tot en met 30a en 32 van het Mediabesluit is bepaald in welke gevallen een reclame-uiting in een programma-onderdeel niet vermijdbaar kan worden geacht, alsmede wanneer het vermelden van vermijdbare reclame-uitingen is toegestaan. In alle andere gevallen dan genoemd in deze artikelen ontstaat strijd met artikel 52 lid 2 van de Mediawet.

Het opnemen van een handelsmerk, in casu ‘Willem Wever’, in de titel van een programma-onderdeel is in strijd met artikel 52 lid 2 van de Mediawet, aangezien de vertoning of vermelding ervan naar het oordeel van het Commissariaat dan plaatsvindt op een overdreven of overdadige wijze, zoals bedoeld in de artikelen 28 en 29 van het Mediabesluit. Een analoge opvatting is te vinden in artikel 8 lid 3 van de Beleidsregels Sponsoring Publieke Omroep van het Commissariaat.

Dat in het onderhavige geval geen sprake is van sponsoring in de zin van de Mediawet doet niet af aan het feit dat artikel 28 van het Mediabesluit meer in het algemeen beoogt te normeren op welke wijze reclame-uitingen mogen worden vermeld of vertoond.

Het Commissariaat is, gelet op doel en strekking van die normering, van oordeel dat met het gebruik van een handelsmerk in de programmatitel per definitie de grenzen van 52 lid 2 van de Mediawet worden overtreden. Dit standpunt is overigens door het Commissariaat reeds betrokken in de beslissing op bezwaar inzake het doen uitgeven van het tijdschrift ‘Belfleur’ [zie Publieke Omroep en Commercie 1988-1992, p. 236-238, bew.].

Ten slotte wijst het Commissariaat de NCRV er op dat indien de NCRV het verrichten van de nieuw te ondernemen ‘Willem Wever”-activiteiten, waaronder het uitgeven van het tijdschrift, in beginsel zelf ter hand zou nemen, er naar het oordeel van het Commissariaat minder snel strijd met de Mediawet zal ontstaan. Bij een dergelijke werkwijze zou wellicht een aanzienlijk deel van de meer praktische verrichtingen door de NCRV aan een derde kunnen worden ‘uitbesteed’.

Overigens zou ook in dat geval gebruikmaking van dezelfde naam voor het programma-onderdeel én het tijdschrift belemmeringen opleveren vanwege de strijdigheid met artikel 52 lid 2 van de Mediawet.

Op grond van bovenstaande overwegingen en na afweging van alle betrokken belangen heeft het Commissariaat het volgende besloten.

Besluit

I. Het Commissariaat verklaart de bezwaren van de NCRV tegen zijn besluit van 29 mei 2001 ongegrond;

II. Het Commissariaat handhaaft, met uitzondering van zijn overweging met betrekking tot artikel 52 van de Mediawet, zijn besluit van 29 mei 2001 met dien verstande dat de motivering wordt aangevuld zoals hierboven aangegeven. Met betrekking tot artikel 52 van de Mediawet wordt de motivering op de hiervoor aangegeven wijze aangepast.

 


> overzicht beschikkingen 2002:

 

> Business Nieuws Radio – Onderneem het met de ING-bank
(Beschikking d.d. 24 januari 2002, kenmerk JuZa/000060/ld.)

> Door toevoeging van de slagzin ‘De bank voor ondernemende mensen’ aan de sponsorvermelding, was deze vormgegeven als een reclameboodschap; overtreding van artikel 52h lid 2 Mediabesluit, boete.
> Het Commissariaat meent dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de omroep, door het opnemen van de naam ING Bank in de programmanaam en door het vermelden van deze programmanaam, (mede) beoogd heeft het publiek te bewegen tot het gebruikmaken van de diensten van ING Bank; overtreding van artikel 52j lid 1 Mediabesluit, boete.

> Omroep Limburg – Trefpunt
(Brief d.d. 10 juni 2002, kenmerk JuZa/002004/ibo.)

> Omdat Trefpunt een politiek-cultureel programma is, had dit niet gesponsord mogen worden; overtreding van artikel 52a lid 3 Mediawet. Omdat het Commissariaat bij een eerdere controle van deze programmaserie, die toen door de omroep werd omschreven als ‘politiek-cultureel’, niet heeft gewezen op dit sponsoringverbod, volstaat het nu met een waarschuwing.

> Regionale Omroep Noord-Holland – Uit aan huis, NH Sport, De buitenlucht, Kort Amsterdams, De broertjes, Clubagenda, Aanbouw, Brood op de plank
(Beschikking d.d. 13 juni 2002, kenmerk B&P/003271/lvdz.)

> De vermelding van de verhaaltjes-cd ‘Bijzondere minuutjes met Meta’, waarvan de opbrengst naar een goed doel ging, in combinatie met de oproep tot kopen van de schrijfster Meta, was volgens het Commissariaat een reclameboodschap. Het goede doel in casu viel onder de uitzonderingsregeling van artikel 3 Mediawet, maar volgens die bepaling mag de oproep niet zien op het kopen van een product dat in de handel verkrijgbaar is. Ook was de reclameboodschap niet herkenbaar en onderscheiden van de overige programma-onderdelen; overtreding van artikel 50 lid 8 juncto artikel 43b lid 1 Mediawet. Commissariaat volstaat evenwel met een waarschuwing omdat de omroep aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgezonden oproep niet is gedaan vanuit een commercieel motief en de omroep er vanuitging dat de cd niet ‘in de handel verkrijgbaar’ was.
> In beelden van een volleybalwedstrijd was een reclamebord te zien met daarop ‘RAF’ en afbeeldingen van de producten die RAF verkoopt. Commissariaat: door het tonen van de producten werd de getoonde reclame-uiting overheersend (in de zin van artikel 30a lid 1 Mediabesluit); overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet, boete.
> Vermelding op aftiteling ‘Kleding: Wrangler, Mexx’ (in plaats van het wel toegestane ‘Met dank aan: Wrangler, Mexx’) was een niet-toegestane vermijdbare reclame-uiting; overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet, boete.
> Het tonen van de bedrijfsnaam De Condomerie en het vermelden en aanprijzen van een ‘fun condoom’ waren niet-toegestane vermijdbare reclame-uitingen; overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet, boete.
> Een sponsorvermelding duurde zes seconden; overtreding van artikel 52b lid 2 Mediawet, boete.
> Een sponsorvermelding voor ‘Remy Martin, Fine Champagne Cognac’ was wervend, en daarmee vormgegeven als een reclameboodschap, door de toevoeging van ‘Fine Champagne Cognac’; overtreding van artikel 52b lid 2 Mediawet, boete.
> Het tonen en noemen van de naam van club Dino’s waren niet-toegestane vermijdbare reclame-uitingen; overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet, boete.
> Vermelding op aftiteling ‘Kleding De Broertjes: Hennes & Mauritz’ (in plaats van het wel toegestane ‘Met dank aan: Hennes & Mauritz’) was een niet-toegestane vermijdbare reclame-uiting; overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet, boete.
> Een sponsorvermelding bevatte bewegende beelden; overtreding van artikel 52b lid 2 Mediawet, boete.
> In de Clubagenda werden de diensten getoond van de programmasponsors Club Arena, Dino’s After Hour, Ministry, Odeon Theater e.a.; overtreding van artikel 52b lid 3 Mediawet, boete.
> De vermelding van de gemeente Amstelveen onder ‘Met dank aan’ op de aftiteling maakte niet duidelijk dat het programma door de gemeente was gesponsord, en aldus was er geen sprake van een afdoende sponsorvermelding; overtreding van artikel 52b lid 1 Mediawet, waarschuwing.
> Het programma-onderdeel Brood op de plank was gesponsord door de Hogeschool van Amsterdam. Commissariaat: omdat dit een informatief programma-onderdeel was, had dit ingevolge artikel 52a Mediawet niet gesponsord mogen worden. Daarbij is hier wel sprake van een sponsor en sponsoren omdat de Hogeschool deelneemt aan het economisch verkeer door middel van het leveren van goederen of diensten. Overtreding van artikel 52a lid 1 Mediawet, voorwaardelijke boete.

> Regionale Omroep Flevoland
(Beschikking d.d. 26 juni 2002, kenmerk JuZa/002596/tn.)

> Het tonen van de naam Danscafé Eindelijk, in combinatie met de gegeven informatie over daar georganiseerde evenementen, vormde volgens het Commissariaat een reclameboodschap. Omdat deze reclameboodschap niet duidelijk onderscheiden was van de andere programma-onderdelen, is artikel 50 lid 8 juncto artikel 43b lid 1 Mediawet overtreden, boete.
> ‘Onverstaanbare’ sponsorvermelding bleek in Papiamento te zijn, omdat het gesponsorde programma, dat voor en door Antillianen werd gemaakt, voor het grootste gedeelte in die taal werd gepresenteerd. Commissariaat: geen overtreding van artikel 52b lid 1 Mediawet.

> Omroep Friesland
(Beschikking d.d. 17 juli 2002, kenmerk JuZa/004128/ibo.)

> Uitzending van reclameblokken met een duur van minder dan twee minuten; overtreding van artikel 12 Mediabesluit juncto artikel 41a juncto artikel 43b Mediawet, boete.
> Het tijdens een wedstrijdverslag in beeld laten komen van een reclamebord met de naam Honda en de slogan ‘First men, then machine’, leverde volgens het Commissariaat een reclameboodschap op. Omdat deze reclameboodschap niet duidelijk onderscheiden was van de andere programma-onderdelen, is artikel 50 lid 8 juncto artikel 43b lid 1 Mediawet overtreden, boete.)

> Yorin – Yorin travel
(Beschikking d.d. 17 juli 2002, kenmerk JuZa/004127/ibo.)

> Het tonen van de naam van programmasponsor See Buy Fly in het programma-onderdeel, met daarbij de vermelding dat diens prijzen gelijk zijn gebleven ondanks het einde van tax free winkelen binnen de EU, was een overtreding van artikel 52j lid 1 Mediabesluit, boete.

> Classic FM
(Beschikking d.d. 1 augustus 2002, kenmerk JuZa/002329/tn.)

> Het akoestische signaal (melodie) waarmee reclameblokken worden aangekondigd heeft telkens hetzelfde thema maar verschilt van duur en wijze van uitvoering, en de reclameblokken worden afgesloten met stationcalls die verschillen van vorm, inhoud en duur. Deze stationcalls zijn ook op andere momenten tijdens het programma te horen. Commissariaat: aldus zijn de reclameboodschappen niet voldoende duidelijk onderscheiden van de andere programma-onderdelen; overtreding van artikel 52c lid 1 Mediabesluit, boete.
> Het item ‘Personal finance’ was volgens het Commissariaat een reclameboodschap, en deze was niet voldoende als zodanig herkenbaar en onderscheiden van de andere programma-onderdelen; overtreding van artikel 52c lid 1 Mediabesluit, boete.
> Omdat een rubriek met financieel nieuws was gesponsord, is artikel 52h lid 5 Mediabesluit overtreden, boete.
>Door het vermelden van de programmanaam ING-bank Klassieke Zaken Top 15 is sluikreclame gemaakt voor ING Bank en voor de programmasponsor de Vereniging Klassieke Zaken; overtreding van artikel 52j lid 1 Mediabesluit, boete.

> Yorin – Dayvertising
(Beschikking d.d. 22 augustus 2002, kenmerk JuZa/004727/ivs.)

> Sponsorbillboards, volgens reclameconcept ‘dayvertising’, leken op reclameboodschappen van die sponsors; aldus voldeden die billboards niet aan de eisen van artikel 52h lid 2 Mediabesluit, boete.

> Omroep Friesland – Baas boppe baas
(Beschikking d.d. 5 september 2002, kenmerk JuZa/004661/ibo.)

> Omdat in elke aflevering een caféscène voorkwam waarin een glas of fles berenburg in beeld kwam, waarbij afgeleid kon worden dat dit Sonnema berenburg was, heeft het Commissariaat de indruk dat hierover afspraken zijn gemaakt met programmasponsor Sonnema. Ook producten, diensten of merken van andere programmasponsors kwamen in enkele afleveringen in beeld. Commissariaat wijst op het verbod van het tonen of vermelden van producten of diensten van financiële sponsors (artikel 52b lid 3 Mediawet) en het reclameverbod van artikel 52 lid 2 Mediawet.

> Yorin – Yorin Time
(Beschikking d.d. 5 september 2002, kenmerk JuZa/004864/ivs.)

> Yorin zond korte blokjes met ‘tips’ uit tussen reclameblokken en programmapromo’s; dit waren volgens het reclameconcept ‘Yorin Time’ ‘korte gesponsorde programma’s waarin tips worden gegeven die de doelgroep van de sponsor aanspreken en waarin een link wordt gelegd naar diens product via billboards voor en na het programma’, waarbij ‘de inhoud van het programma in overleg met de adverteerder wordt bepaald’. Zo werden in blokjes die werden ‘aangeboden’ door reisorganisators Sunweb en GoGo Tours tips voor vakantiereizen gegeven. Commissariaat: de blokjes zijn geen ‘programma-onderdeel’, waardoor het noemen en tonen van de bedrijfsnamen aan het begin en einde van de blokjes geen sponsorvermelding ex artikel 52h lid 2 Mediabesluit was maar niet-toegestane (sluik)reclame; overtreding van artikel 52j lid 1 Mediabesluit, boete.

> BNN – Pauw in Panama
(Brief d.d. 19 september 2002, kenmerk JuZa/005332/tn.)

> Het opnemen van de bedrijfsnaam Panama in de programmanaam levert volgens het Commissariaat strijd op met artikel 52 lid 2 Mediawet. Verzoek om ingeval van voortzetting van de programmaserie de programmanaam aan te passen.

> VARA – Stenders vroeg
(Beschikking d.d. 22 oktober 2002, kenmerk JuZa/005850/ivs.)

> Oliemaatschappijen Shell, BP, Texaco, Fina, Q8 en Tango werden door de presentator gebeld en gevraagd om gedurende één week op elke liter benzine een kwartje korting te geven. Alleen Tango stemde in, en vervolgens werd in volgende uitzendingen hieraan uitgebreid aandacht besteed, waarbij onder meer werd opgeroepen te gaan tanken bij Tango. Commissariaat: (1) Het noemen van de bedrijfsnamen Shell, BP, Texaco, Fina, Q8 en Tango vormde niet-toegestane vermijdbare reclame-uitingen; overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet, boete. (2) Er is beoogd het publiek te bewegen het product van Tango af te nemen; overtreding van artikel 52 lid 1 Mediawet, boete. (3) Geen overtreding van artikel 55 lid 1 Mediawet omdat de VARA aannemelijk kon maken dat geen sprake was van een vooropgezet plan met als doel Tango te bevoordelen of van het aanhaken bij een door Tango geëntameerde actie.

> NOS – Nederland kiest
(Beschikking d.d. 24 oktober 2002, kenmerk JuZa/003956/ibo.)

> Tijdens een programma-onderbrekend STER-blok werd even teruggeschakeld naar de studio voor een aankondiging van wat er na het reclameblok te zien zou zijn. Commissariaat: het was niet duidelijk of hier sprake was van een programmapromo; de aankondiging was niet duidelijk afgebakend en als zodanig herkenbaar, waarbij met name verwarring ontstond doordat live werd teruggeschakeld naar het programma. Als het terugschakelen geen programmapromo was, was de zendtijdindeling van de STER onjuist. Verzoek om programmapromo’s voortaan voldoende herkenbaar te maken.

> KinderNet – duur reclameblok
(Beschikking d.d. 24 oktober 2002, kenmerk JuZa/005752/ibo.)

> Uitzending van een reclameblok dat korter duurde dan twee minuten; overtreding van artikel 52d lid 5 Mediabesluit, boete.

> MTV – uitzending reclameblokken
(Beschikking d.d. 24 oktober 2002, kenmerk JuZa/005754/ibo.)

> Uitzending van programma-onderbrekende reclameblokken waarbij niet telkens tussenpozen van minimaal twintig minuten in acht werden genomen; overtreding van artikel 52f lid 1 Mediabesluit, boete.

> SBS6 / Net 5 – hoeveelheid reclame- en telewinkelboodschappen
(Beschikking d.d. 24 oktober 2002, kenmerk JuZa/005793/ibo.)

> Per klokuur werd meer dan twaalf minuten reclameboodschappen uitgezonden; overtreding van artikel 52d lid 4 Mediabesluit, boete.
> Uitzending in een etmaal van meer dan drie uur aan telewinkelboodschappen; overtreding van artikel 52d lid 6 Mediabesluit, boete.

> NCRV – Buya
(Beschikking d.d. 29 oktober 2002, kenmerk JuZa/005387/tn.)

> In programma-item ‘Trendspotting’ werd schoenenwinkel SeventyFive bezocht, waarbij de winkel werd geïntroduceerd als ‘een heel leuk schoenenwinkeltje’ en de bedrijfsnaam meerdere malen in beeld kwam, en waarbij Quick-schoenen close-up in beeld werden gebracht en in detail werden besproken. SeventyFive werd op de aftiteling vermeld onder ‘Met dank aan’, en het winkeladres werd vermeld op de internetsite van Buya. Commissariaat: (1) Het tonen van de namen SeventyFive en Quick vormde niet-toegestane vermijdbare reclame-uitingen. Volgens het Commissariaat zijn de uitzonderingsregelingen van artikel 28 lid 1 en artikel 29 lid 1 Mediabesluit niet van toepassing nu het product Quick en de winkel SeventyFive werden aangeprezen. Overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet, boete. (2) Door de naam SeventyFive ten onrechte op de aftiteling te plaatsen was sprake van een vermijdbare reclame-uiting ex artikel 52 lid 2 Mediawet, maar er wordt geen boete opgelegd omdat de NCRV meende dat zij met de vermelding juist conform de wet- en regelgeving handelde. Ten aanzien van de adresvermelding op de website overweegt het Commissariaat dat deze uit overwegingen van service aan de kijker werd gedaan en dat niet daarnaar in het programma werd verwezen.

> KRO – ontheffingsverzoek
(Beschikking d.d. 5 november 2002, kenmerk JuZa/006292/ibo.)

> Afwijzing van verzoek om ontheffing ex artikel 52 lid 3 Mediawet voor uitzendingen waarin fondsen worden geworven voor de Cliniclowns, omdat er gelegenheid is om voor dit goede doel op andere wijze geld in te zamelen. Ten aanzien van het dienstbaarheidsverbod (artikel 55 lid 1 Mediawet) en de afspraken met De Telegraaf, RTL4 en de omroepbladen over promotie van de Cliniclowns, stelt het Commissariaat dat die bepaling kan niet overtreden worden door het dienstbaar zijn aan het behalen van voordeel door de Stichting Cliniclowns nu die organisatie valt onder de instellingen als bedoeld in artikel 3 Mediawet. Wat betreft de samenwerking met De Telegraaf e.a. kan geen ontheffing van artikel 55 lid 1 gegeven worden, maar het ontstaan van dienstbaarheid is niet aannemelijk zolang de publiciteit enkel in het teken staat van en gericht is op promotie van de Cliniclowns.

> STER – telewinkelboodschap
(Brief d.d. 13 november 2002, kenmerk JuZa/006589/tn.)

> Uitzending van een telewinkelboodschap; strijd met artikel 52 lid 1 Mediawet, nu de STER wel reclameboodschappen maar geen telewinkelboodschappen mag uitzenden. Geen sanctie omdat momenteel een wetsvoorstel aanhangig is waarin de wettelijke regeling op dit punt verduidelijkt wordt (zie voorgestelde wijziging van artikel 1 sub xx Mediawet, zie daarover Omroep & Commercie 2000-2002).

> NCRV – Buren, bulldozers en begonia’s
(Beschikking d.d. 21 november 2002, kenmerk JuZa/006712/ibo.)
(NB: NCRV heeft bezwaar aangetekend.)

> Programma-onderdeel was gesponsord door SITA, waarmee artikel 52a lid 1 Mediawet is overtreden, boete. Voorts zijn producten van SITA (containers, met daarop de bedrijfsnaam en telefoonnummer) getoond, waarmee artikel 52b lid 3 is overtreden, boete.
> Onderdeel van de internetsite van het programma was een ‘bedrijvenpagina’ waarop de activiteiten en producten van de aan de serie meewerkende bedrijven worden beschreven en toegelicht, en waarbij hyperlinks naar de internetsites van die bedrijven zijn geplaatst. Omdat hierbij geen voldoende duidelijk onderscheid is tussen redactionele inhoud en commercie, is deze ‘bedrijvenpagina’ in strijd met artikel 55 lid 1 Mediawet, boete.
> Vermelding van kledingsponsor op de aftiteling middels ‘Kleding Bert en Jeroen: Van Oorschot Mode’ (in plaats van het wel toegestane ‘Met dank aan: Van Oorschot Mode’) vormt een niet-toegestane vermijdbare reclame-uiting ex artikel 52 lid 2 Mediawet, boete.

> TROS – nevenactiviteit
(Beschikking d.d. 27 november 2002, kenmerk FTZ/006667/sv.)

> Zgn. tweede fase-toetsing van nevenactiviteit (deelneming in After the Break Productions B.V.; zie over eerste fase-toetsing beschikking d.d. 22 juni 2001) aan artikel 57a lid 1 sub c en artikel 55 Mediawet, oordeel: de nevenactiviteit is ook niet verboden op grond van deze bepalingen.

> SBS6 – Wonen met Jan
(Beschikking d.d. 28 november 2002, kenmerk JuZa/006426/ibo.)

> Tonen en noemen van de namen, merken, producten en diensten van programmasponsors Rabobank en Vroom & Dreesmann; overtreding van artikel 52j lid 1 Mediabesluit, boete.
> Vermelding op aftiteling ‘Kleding Jan des Bouvrie: Sartoria Naarden’; Commissariaat: doordat aan de vermelding van de bedrijfsnaam het woord ‘kleding’ was toegevoegd, wordt deze vermelding geacht gedaan te zijn met het oogmerk om sluikreclame te maken; overtreding van artikel 52j lid 1 Mediabesluit, boete.

> Omroep Drenthe
(Beschikking d.d. 10 december 2002, kenmerk JuZa/006868/ibo.)

> Uitzending op tekst-tv van een promo waarin een videoband van een programma-onderdeel te koop werd aangeboden. Commissariaat: doordat deze oproep in het kader van een nevenactiviteit niet is uitgezonden direct aansluitend op het betreffende programma-onderdeel of in een reclameblok, is artikel 52 lid 4 Mediawet overtreden, boete.
> Tijdens een weerpraatje werden beelden getoond van een Transavia-vliegtuig, waarbij de naam en het logo van Transavia te zien waren. Commissariaat: de vertoningen voldoen aan de voorwaarden van de uitzonderingsregeling van artikel 28 Mediabesluit; geen overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet.
> Vermelding van diverse kledingsponsors op de aftiteling onder ‘Kleding’, gevolgd door vermelding van de bedrijfsnaam. Commissariaat: deze vermeldingen waren niet conform de regels en daarmee waren dit niet-toegestane vermijdbare reclame-uitingen; overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet, boete.

> TROS – Van slavenkoor tot triomfmars
(Brief d.d. 12 december 2002, kenmerk JuZa/006718/tn.)

> Met het vertonen en vermelden van de naam Ahoy’, de opera Rigoletto en het internetadres van Companions is volgens het Commissariaat artikel 52 lid 2 Mediawet overtreden. In de sponsorvermeldingen worden niet alleen de namen van de sponsorende bedrijven maar ook hun vestigingsplaatsen genoemd; eveneens overtreding van artikel 52 lid 2 Mediawet. Geen sanctie omdat het programma langer dan een jaar geleden werd uitgezonden.

> Veronica – Kink TV
(Brief d.d. 12 december 2002, kenmerk JuZa/006950/tn.)

> Door een sponsor te vermelden na een programma-item vond de sponsorvermelding plaats tijdens het programma-onderdeel; overtreding van artikel 52h lid 2 Mediabesluit.
> Tonen van producten en diensten; overtreding van artikel 52j lid 1 Mediabesluit.
> Omdat de bijdrage van watersportwinkel Maritiem identificeerbaar in beeld is gebracht, was het niet afdoende om die bijdrage op de aftiteling onder ‘met dank aan’ te vermelden.
> Na een programma-onderbrekend reclameblok werd het programma-onderdeel hervat zonder nadere aanduiding; overtreding van artikel 52c lid 1 Mediabesluit.
> Uitzending van reclameblokken die korter duurden dan twee minuten; overtreding van artikel 52d lid 5 Mediabesluit.
Geen sancties omdat het programma-onderdeel ten tijde van de gestelde overtredingen in de opstartfase zat, en dit inmiddels is aangepast.

> Yorin – Gamequest
(Beschikking d.d. 19 december 2002, kenmerk JuZa/007138/tn.)
(NB: Yorin heeft bezwaar aangetekend.)

> Door (1) het tonen en vermelden van de naam van het programma, die, ook qua lay-out, hetzelfde is als die van het tijdschrift Gamequest, (2) het tonen van tijdschriften van een programmasponsor, en (3) te vermelden dat een te winnen spellenpakket beschikbaar is gesteld door Free Record Shop, is volgens het Commissariaat artikel 52j lid 1 Mediabesluit overtreden, boete.

> SBS6 – Ajax 2002-tournooi
(Brief d.d. 19 december 2002, kenmerk JuZa/007360/ivs.)

> Omdat het Commissariaat, na vergelijking met de uitzendingen van het Ajax 2001-tournooi (zie daarover Omroep &Commercie 2000-2002, en onder adviezen), meent dat SBS zich heeft ingespannen om ‘schone’ wedstrijdverslagen (waarin geen slogans op de boarding en geen opvallende bewegende elektronische reclameborden te zien zijn) uit te zenden, ziet het af van een nieuwe sanctieprocedure. Wel waarschuwing dat er naar zijn mening nog reclame werd getoond die strijdig was met artikel 52j lid 1 Mediabesluit.

> SBS6 – SBS6 Sport
(Beschikking d.d. 19 december 2002, kenmerk JuZa/007361/ivs.)

> Tussen het einde van de tweede helft en de verlenging werd een reclameblok uitgezonden. Commissariaat: omdat er tussen de tweede helft en de verlenging geen sprake was van een ‘gebruikelijke pauze’ is artikel 52f lid 2 Mediabesluit overtreden, boete.


>

>