> uitspraken

 

SBS6 – Robijn Fashion Award '98 / Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State / 8 januari 2003

SBS6 – Breekijzer / Rechtbank Amsterdam / 14 januari 2003

 


> SBS6 – Robijn Fashion Award '98 / Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State / 8 januari 2003

Afdeling Bestuursrechtspraak

Datum uitspraak: 8 januari 2003
Zaaknummer 200201320/1

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap onder firma ‘SBS Broadcasting B.V.’, gevestigd te Amsterdam, appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 15 januari 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het Commissariaat voor de Media.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 1999 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) appellante een boete van ƒ 10.000,00 / € 4.537,80 wegens overtreding van artikel 52i, eerste lid, van het Mediabesluit (hierna: het Besluit) en een boete van ƒ 10.000,00 / € 4.537,80 wegens overtreding van artikel 52j, eerste lid, van het Besluit opgelegd.

Bij besluit van 26 oktober 1999 heeft het Commissariaat het door appellante tegen de oplegging van een boete wegens overtreding van artikel 52j, eerste lid, van het Besluit, gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Commissariaat voor de Media van 8 oktober 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
[Zie voor advies d.d. 8 oktober 1999 en besluit d.d. 26 oktober 1999: Omroep & Commercie 1999, p. 75-85, bew.]

Bij uitspraak van 15 januari 2002, verzonden op 23 januari 2002, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
[Zie voor deze uitspraak Omroep & Commercie 2000-2002, bew.] Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 april 2002 heeft het Commissariaat van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Koning, advocaat te Amsterdam, en het Commissariaat, vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 10, onder punt 4, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coŲrdinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (hierna: de tv-richtlijn) bepaalt dat sluikreclame is verboden.

Artikel 1, onder punt c, van de tv-richtlijn, voor zover hier van belang, bepaalt dat onder sluikreclame wordt verstaan het vermelden of vertonen van goederen, diensten, naam, handelsmerk of activiteiten van een producent van goederen of een dienstverlener in programma’s, indien dit door de omroep wordt gedaan met de bedoeling reclame te maken en het publiek kan worden misleid omtrent de aard van deze vermelding c.q. vertoning.

Artikel 3, onder punt 1, van de tv-richtlijn, bepaalt dat het de Lid-Staten vrij staat voor de onder hun bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties strengere of meer gedetailleerde voorschriften vast te stellen op de gebieden die onder de onderhavige richtlijn vallen.

Ingevolge artikel 71g van de Mediawet, zoals dit gold ten tijde van de bestreden beslissing en voor zover hier van belang, kunnen voor commerciŽle omroepinstellingen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter uitvoering van de Europese richtlijn.

Ingevolge artikel 30a, eerste lid, van het Mediabesluit, mag een televisieprogramma-onderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat in Nederland plaatsvindt of is geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen, vermijdbare reclame-uitingen bevatten, indien het evenement niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, en de reclame-uitingen niet overheersend zijn.

Ingevolge artikel 52j, eerste lid, van het Mediabesluit, zoals dit gold ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar, worden, onverminderd het bepaalde in de artikelen 52g, artikel 52h, tweede en derde lid en 52i, eerste lid, in programma-onderdelen van commerciŽle omroepinstellingen geen namen, beeldmerken, logo’s, handelsmerken, produkten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen vermeld of getoond, indien de desbetreffende commerciŽle omroepinstelling, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, daarmee beoogt of mede beoogt het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald produkt of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van produkten of de afname van diensten te bevorderen.

2.2. Vooropgesteld wordt dat in hoger beroep slechts in geschil is de boete-oplegging van het Commissariaat voor zover deze ziet op de overtreding door appellante van artikel 52j van het Mediabesluit.

2.3. Het Commissariaat heeft deze boete-oplegging bij de beslissing op bezwaar gehandhaafd, waarbij hieraan ten grondslag is gelegd dat in de uitzending van het programma ‘Robijn Fashion Award 1998’ – dat 68 minuten duurde – het merk Robijn 64 maal in beeld is gebracht, dat gedurende de gehele uitzending een groot bord met de vermelding ‘Robijn Fashion Award ‘98’, waarbij het woord Robijn identiek was aan het (beeld)merk Robijn, midden boven het podium hing en regelmatig volledig en leesbaar in beeld kwam, alsmede dat in de zaal een vidiwall hing waarop ťťn keer duidelijk leesbaar de vermelding ‘Robijn Fashion Award ‘98’ in beeld is gebracht.

2.4. Appellante betoogt in hoger beroep dat de rechtbank, gelet op de opeenvolgende redacties van artikel 71g van de Mediawet vanaf de inwerkingtreding hiervan, alsmede de daarbij behorende parlementaire geschiedenis, heeft miskend dat een wettelijke grondslag ontbreekt voor het in artikel 52j van het Mediabesluit opgenomen verbod van sluikreclame. Artikel 71g van de Mediawet biedt, aldus appellante, namelijk geen basis voor het met toepassing van artikel 3 van de tv-richtlijn vaststellen van strengere sluipreclameregels
[bedoeld zal zijn: sluikreclameregels, bew.] dan in de tv-richtlijn zijn opgenomen.

Dit betoog kan niet slagen. Artikel 71g van de Mediawet, zoals dat luidt sedert 15 december 1998, geeft geen aanknopingspunten voor de door appellante voorgestane restrictieve uitleg en biedt naar het oordeel van de Afdeling een voldoende grondslag voor het in artikel 52j van het Mediabesluit vervatte verbod. Aan de enkele passage uit de toelichting op dit artikel waarop in dit verband door appellante is gewezen (Kamerstukken TK, 1989-1990, 21 554, nr. 3, p. 7), kan mede omdat de tekst van dit artikel toen anders luidde, niet de betekenis worden gehecht, die appellante daaraan gehecht wil zien.

2.5. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank bij beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van oogmerk als bedoeld in artikel 52j van het Mediabesluit, van een onjuist toetsingskader is uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank volgens appellante miskend dat uit de toelichting van de wetgever op voornoemd artikel blijkt dat aan de hand van de feiten moet worden getoetst of in een concreet geval sprake is van oogmerk. Voor zover de rechtbank wel van het juiste toetsingskader zou zijn uitgegaan, stelt appellante zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte met het Commissariaat heeft geoordeeld dat in het uitgezonden programma sprake was van overheersende reclame-uitingen.

Dit betoog kan evenmin slagen. Het Commissariaat, noch de rechtbank is uitgegaan van een onjuist toetsingskader. Uit de Nota van Toelichting op artikel 52j van het Mediabesluit, blijkt dat het oogmerk om reclame te maken bij de omroepinstelling bijvoorbeeld niet aanwezig is in gevallen die vergelijkbaar zijn met die, bedoeld in de artikelen 27 tot en met 30a en 32 van het Mediabesluit. De rechtbank is, mede gezien het - onweersproken - feitencomplex als weergegeven in de beslissing op bezwaar, terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen dat het Commissariaat de reclame-uitingen in het programma terecht als overheersend heeft aangemerkt, zodat zich geen geval voordoet als bedoeld in artikel 30a van het Mediabesluit. Niet valt in te zien dat het Commissariaat bij de beoordeling van het bestaan van oogmerk bij appellante exclusief aan artikel 30a van het Mediabesluit heeft getoetst. De beslissing op bezwaar geeft voor die stelling van appellante geen aanleiding. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat in het aan de beslissing op bezwaar ten grondslag liggende advies van de Adviescommissie bezwaarschriften Commissariaat voor de Media, is aangegeven dat het oogmerk om reclame te maken voor Robijn, na* toetsing aan – het in dit geval relevante – artikel 30a van het Mediabesluit, overigens ook al redelijkerwijs aangenomen kan worden.

2.6. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt evenzeer. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het enkele feit dat het Commissariaat ten aanzien van sportprogramma’s, gelet op het karakter hiervan, nadere regels heeft gesteld, in onderhavig geval niet leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.


*) Logischerwijze zal hier, ook gezien de voorafgaande overwegingen, waarschijnlijk bedoeld zijn te stellen ‘dat het oogmerk om reclame te maken voor Robijn,
naast toetsing aan artikel 30a, overigens ook al redelijkerwijs aangenomen kon worden’, bew.


> SBS6 Breekijzer / Rechtbank Amsterdam / 14 januari 2003

Rechtbank Amsterdam
Sector Bestuursrecht Algemeen
meervoudige kamer

Uitspraak d.d. 14 januari 2003

In het geding met reg. nr. AWB 01/3271 BESLU

van:

de besloten vennootschap Scandinavian Broadcasting System SBS 6 B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres,

tegen:

het Commissariaat voor de Media, gevestigd te Hilversum, verweerder.

1. Procesverloop

De rechtbank heeft op 11 september 2002 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 2 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit). [Zie hiervoor Omroep & Commercie 2000-2002, bew.]

2. Motivering

Eiseres heeft op 8 mei 2000 het programma Breekijzer uitgezonden. Aan het einde van de aflevering is een tekst in beeld gebracht met een telefoonnummer van de Breekijzer Hulplijn (een 0900-nummer). Tevens was een voice-over te horen, met ondermeer de tekst: “Wilt u juridisch advies over uw problemen, dan kunt u bellen met de Breekijzer Hulplijn. (...) deze service kost f 1,50 per minuut.”

Bij besluit van 30 november 2000 heeft verweerder eiseres een boete van f 20.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 52j lid 1 van het Mediabesluit.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het opleggen van de boete.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en onder aanpassing van de motivering daarvan zijn primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiseres met het tonen van vermelden van de naam Breekijzer Hulplijn (mede) heeft beoogd het publiek te bewegen tot het gebruikmaken van de diensten van de Breekijzer Hulplijn.

Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 52j van het Mediabesluit onverbindend is omdat de bepaling geen invulling geeft aan artikel 71g van de Mediawet. Zij stelt dat sprake is van onjuiste implementatie van Richtlijn 89/552/EG zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG (hierna: de richtlijn), waardoor artikel 52j van het Mediabesluit geen voorschrift is dat krachtens formele wetgeving is gegeven. Daarmee is strijd met het in artikel 89 van de Grondwet vervatte legaliteitsbeginsel, aldus eiseres. Eiseres stelt subsidiair dat artikel 52j van het Mediabesluit niet van toepassing is. Er is sprake van een rechtstreeks van een programma afgeleid ondersteunend product en daarmee van zelfpromotie. Een dergelijke uiting is volgens eiseres geen reclame en voor zover het dat wel is, niet ontoelaatbaar. Zij verwijst daarbij naar de Nota van Toelichting bij het Mediabesluit. Zij betoogt dat voor zover zelfpromotie als reclame dient te worden beschouwd, dit slechts zelfpromotie betreft die wordt uitgezonden door omroepinstellingen die zich uitsluitend met zelfpromotie bezighouden. Tevens stelt zij dat zij niet het oogmerk had om reclame te maken en geen diensten werden aangeboden. Meer subsidiair acht eiseres het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gronden van het besluit ingetrokken maar daarvoor geen andere gronden in de plaats gesteld.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 52j van het Mediabesluit verbindend is en dat de uitleg die bij het bestreden besluit aan die bepaling is gegeven in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geval artikel 52j van het Mediabesluit is overtreden. Daarbij is niet van belang of de betreffende uiting kan worden aangemerkt als zelfpromotie. Het bestreden besluit is deugdelijk gemotiveerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van artikel 71g lid 2 van de Mediawet kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor commerciŽle omroepinstellingen ter uitvoering van de Europese richtlijn.

Artikel 52j lid 1 van het Mediabesluit bepaalt, voor zover hier relevant, dat de programma’s van commerciŽle omroepinstellingen geen namen, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen vermelden of tonen, indien de betreffende commerciŽle instelling, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, daarmee beoogt of mede beoogt het publiek te bewegen tot het gebruikmaken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de afname van diensten te bevorderen.

Allereerst zal worden beoordeeld of artikel 52j van het Mediabesluit verbindende kracht mist.

De rechtbank is van oordeel dat er geen grond is voor het buiten toepassing laten van artikel 52j van het Mediabesluit. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 januari 2002 met nummer AWB 99/12643 BELEI [zie hiervoor Omroep & Commercie 2002, bew.] geconcludeerd dat artikel 52j van het Mediabesluit, anders dan eiseres stelt, geen onjuiste implementatie is van Richtlijn 89/552/EG. Uit de tekst en strekking van artikel 3 van deze richtlijn en van overweging 44 bij Richtlijn 97/36/EG volgt immers dat lidstaten de vrijheid hebben om gedetailleerdere of strengere regels te stellen betreffende de gebieden die onder deze richtlijn vallen. Voor zover artikel 52j van het Mediabesluit een strenger regime bevat dan de richtlijn kan dit derhalve niet leiden tot het oordeel dat met deze bepaling niet is voldaan aan de verplichtingen die uit die richtlijn voortvloeien en die ingevolge artikel 71g van de Mediawet middels het Mediabesluit zijn geÔmplementeerd. Derhalve is geen sprake van strijd met het legaliteitsbeginsel.

Vervolgens zal worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres artikel 52j van het Mediabesluit heeft overtreden.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiseres stelt, ook zelfpromotie als reclame dient te worden aangemerkt. De door eiseres aangehaalde overwegingen van de wetgever betreffen artikel 52d lid 1 tot en met 4 van het Mediabesluit en zien op reclamemaxima. Dat aan deze overwegingen een ruimere strekking zou moeten worden gegeven, zoals eiseres stelt, volgt noch uit deze toelichting onch enige andere overweging van de wetgever. Dit geldt temeer daar de betreffende regelgeving is opgesteld ter implementatie van de richtlijn waarin als hoofdregel geldt dat zelfpromotie een bijzondere vorm van reclame is, maar slechts voor de berekening van reclamemaxima in artikel 18 lid 3 van de richtlijn niet als reclame wordt beschouwd. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat hiermee slechts wordt gedoeld op die zelfpromotie die wordt uitgezonden door omroepinstellingen die zich uitsluitend hiermee bezighouden. Blijkens de de Nota van Toelichting maakt de wetgever in navolging van de richtlijn een onderscheid tussen omroepinstellingen die zich al dan niet uitsluitend met telewinkelen bezighouden; een onderscheid in door deze instellingen uitgezonden zelfpromotie volgt hieruit niet. Een en ander betekent dat slechts voor de berekening van de reclamemaxima zelfpromotie niet als reclame wordt aangemerkt. Dit onderscheid is in het onderhavige geval derhalve niet relevant.

Nu eiseres heeft gesteld dat de betreffende uiting zelfpromotie was en gezien het bovenstaande vaststaat dat dit een bijzondere vorm van reclame is, staat daarmee eveneens vast dat sprake was van een reclame-uiting. Dat eiseres heeft gesteld dat zij niet het oogmerk had om reclame te maken doet daar niet aan af.

Gezien de tekst van de boodschap en gezien het feit dat de naam Breekijzer Hulplijn is getoond en vermeld, heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat deze uiting geschikt was om een positieve houding van het publiek ten opzichte van de Breekijzer Hulplijn en de door haar aangeboden diensten te bevorderen. De stelling van eiseres dat geen daadwerkelijke diensten zijn aangeboden kan in het licht van de onderbouwde betwisting daarvan door verweerder en gezien de tekst van de uitgezonden boodschap geen stand houden.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat artikel 52j van het Mediabesluit is overtreden.

Op grond van artikel 135 lid 1 van de Mediawet kan het Commissariaat voor de Media bij overtreding van ondermeer het bepaalde in artikel 52j van het Mediabesluit een bestuurlijke boete opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de toepassing door verweerder van deze bevoegdheid kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist is. Vastgesteld wordt dat de hoogte van de opgelegde bestuurlijke boete niet in geschil is.

Het beroep van eiseres op een motiveringsgebrek faalt. Het bestreden besluit is in het licht van het bovenstaande afdoende gemotiveerd. Anders dan eiseres kennelijk meent wordt het vereiste van een deugdelijke motivering niet geschonden wanneer bij de beslissing op bezwaar het primaire besluit is gehandhaafd onder aanpassing van de motivering.

Gelet op bovenstaande overwegingen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het griffiegeld dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


>

 

>